Geschiedenis

Het gebouw
De oudste delen van het pand aan de Poststraat dateren uit de 15e eeuw. Het voorhuis, slechts een laag hoog, is laat 17e eeuws. Het grotere en hogere achterhuis stamt uit 1596 (gevelsteen). Dit achterhuis werd tussen 1730 en 1740 herbouwd in opdracht van de toenmalige bewoonster Susanna Maria Loncque, weduwe van mr. Johan Cau, ambachtsvrouwe van Oosterland, Sirjansland en Oosterstein. Zij was een vermogende dame. De achtergevel, die toen naar alle waarschijnlijkheid als voorgevel diende, werd in 1740 geheel Lodewijk in XIV-stijl opgetrokken. Ook nu nog kun je de fraaie details van deze monumentale gevel goed zien. Opmerkelijk is de imposante blauwe vaas die in een nis boven de deur prijkt. In de vaas zitten briefjes met namen van weeskinderen die hier woonden tussen 1890 en 1940.

Na het overlijden van Susanna Maria Loncque kwam het in bezit van haar zus. Het was naar alle waarschijnlijkheid haar echtgenoot, mr. Anthonie Ockersse, die in het midden van de 18e eeuw het prachtige goudleren behang heeft laten aanbrengen in de voorkamer.

In 1862 werd het pand aangekocht door het Burger Weeshuis Zierikzee. Het werd ingericht in een tweebeukig dwars woonhuis en de voorgevel, de laatste, met een tot halsgevel hoger opgetrokken middengedeelte, werd wit gepleisterd. De fraaie woonkamer met de plafondschilderingen uit 1680 en het goudleren behang werd vanaf dat moment de Regentenkamer. In 1873 werd op de voorgevel van het gebouw, aan weerszijde van het wapen van Zierikzee, met zinken letters het opschrift “Burger Weeshuis” geplaatst.

Toelating als wees
Het Burger Weeshuis is als instelling tot omstreeks 1955 belast geweest met de verzorging van wezen. In het begin werden alleen wezen van wie de ouders poorters of burgers waren, of die tenminste 6 jaren in Zierikzee woonden, in het huis opgenomen. Andere wezen gingen naar het Armenkinderhuis. Later is deze grens van 6 bijgesteld naar 12 jaar. In 1726 werd daar aan toegevoegd dat kinderen niet toegelaten konden worden wanneer de ouders wandaden hadden verricht en de samenleving als zodanig onveilig hadden gemaakt, of wanneer de ouders van de armen trokken of hadden getrokken en kinderen van ouders met schulden. In 1738 is dit nogmaals aangescherpt, en werd de opnameleeftijd verhoogd tot 18 jaar. Voor zwakzinnige en zieke kinderen gold in de 18e eeuw, dat die op kosten van het huis elders verzorgd werden.

De regels konden behoorlijk knellen. Strikt genomen mochten de regenten wezen ouder dan 16 jaar afwijzen. Dit overkwam Neeltje de Wilde in 1754. Zij werd als wees van 16 jaar en 2 maanden afgewezen. Een soortgelijk geval deed zich voor in 1784 toen de buitenregenten twee wezen weigerden, omdat hun moeder voor ƒ1,-  en drie broden van de armen getrokken had.

Verzorging & onderwijs
Het opvoeden en verzorgen was een taak van de binnenvader en binnenmoeder. Vaak was dit een echtpaar, dat in het huis woonde. In de ‘ordre’ of het regelement van 1630 staat dat de binnenvader het opperste gezag had over de kinderen en de andere personen in het weeshuis. Ook moest hij toezien op de kleding van de kinderen. Of de kinderen toen al uniformen droegen weten we niet, maar later was dit wel het geval. Toen schreven de regenten voor dat de kinderen zich gedeeltelijk in zwart en rood laken moesten kleden. Een voorbeeld van dit uniform is te zien in de huidige Regentenkamer. Hier staan twee poppen die zijn aangekleed volgens deze kledingvoorschriften. Waarschijnlijk zijn de kleuren geïnspireerd op de stadskleuren van Zierikzee. Kleding van kant of sieraden van goud en zilver waren verboden. Deze kwamen niet overeen met de stand van de wezen.

Later werden de regels uitgebreid. De binnenvader en –moeder waren verplicht hun taak altijd goed uit te oefenen en het voordeel van het weeshuis te zoeken. Zij mochten niet zonder toestemming van burgemeester en regenten kinderen in huis opnemen of ontslaan, en ze moesten de kinderen goede manieren en zedigheid leren. Ook kregen alle kinderen les in lezen en schrijven. Kinderen die al buitenshuis werkten, werden ’s ochtends of ’s avonds onderwezen. Aan het godsdienstig onderwijs werd veel aandacht besteed. De jongens en meisjes moesten voordat ze het Burger Weeshuis verlieten belijdenis van de Gereformeerde religie hebben afgelegd. Naast de catechese moest de binnenvader een aantal keren per dag met de kinderen bidden en danken, terwijl tijdens de maaltijd en de naailessen van de meisjes één of twee hoofdstukken uit de bijbel gelezen werden. Op Zon- en feestdagen gingen de kinderen, twee aan twee, naar de kerk, die zij pas mochten verlaten na de gemeente.

De binnenvader gaf aan wanneer een wees in staat was zijn eigen kost te verdienen. Als de regenten ermee instemden ging een jongen vaak een ambacht leren. Een meisje ging vaak aan het werk als dienstmeid. Het verdiende geld moest ingeleverd worden bij de binnenvader,  die vervolgens regelmatig verslag hierover moest uitbrengen aan de regenten. Mogelijke ambachten in die tijd waren bijvoorbeeld boekbinder, schoenmaker, metselaar, loodgieter, gareelmaker, hovenier, smid of stoeldraaier. Ook zijn er jongens geweest die naar zee gingen. Zij werkten dan in de visserij of op de koopvaardij.

Een reis naar Oost- of West-Indië werd ook wel opgelegd als straf. In 1746 liep Christiaan Claas Houtrijver weg uit het weeshuis. Hij nam dienst in een garnizoen van de artillerie van Bergen op Zoom. De jongen werd daar opgehaald door de binnenvader en aan boord gebracht van het VOC-schip Nieuw Walcheren.

Regels & orde
Er waren uiteraard ook regels waaraan de wezen zich moesten houden. ’s Middags en ’s avonds moesten de kinderen op tijd voor het eten binnen zijn. Zo niet dan vonden ze de hond in de pot. De kinderen kregen kwalitatief goed voedsel maar moesten wel matigheid betrachten. Het was bijvoorbeeld verboden tijdens de broodmaaltijd vers osse- of schapenvlees te gebruiken. De gewone drank in het weeshuis was bier, terwijl bij speciale maaltijden wijn werd gedronken.

In 1726 werden de regels strenger. De kinderen moesten de bevelen van regenten, binnenvader of –moeder altijd gehoorzamen. Als ze dat niet deden riskeerde ze acht dagen op water en brood in het dolhuis. Diezelfde straf werd ook gegeven aan jongens als ze zich te joviaal met de meisjes ophielden.

De jongens en meisjes die buiten werkten moesten uiterlijk 19.00 uur binnen zijn. Buitenshuis slapen was strikt verboden, evenals het bezoeken van familie of vrienden zonder toestemming. Wie deze regels overtrad kreeg 24 uur op water en brood. Bij herhaling werd dit acht dagen.

Verder was het verboden tabak te roken of thee te drinken. Spelen mocht alleen achter in de tuin, en beslist niet voor op straat.

Een goede toekomst voor de wees
Al met al was een opvoeding in het Burger Weeshuis zo slecht nog niet. Er waren veel regels en de straffen waren niet mis, maar het is ook duidelijk dat de regenten en regentessen het welzijn van de wezen altijd voor ogen hadden. En om te zorgen dat de wezen later goed voor zichzelf zouden kunnen zorgen kregen zij goed onderwijs en alle mogelijkheden om een vak te leren. Ook werd veel aandacht besteed aan het godsdienstig onderwijs, maar dat is niet zo vreemd voor die tijd.

Bron: verkorte samenvatting op basis van teksten uit ‘De voormalige kloosters en liefdadige instellingen te Zierikzee’ door P.D. de Vos, en ‘Kronieken van het land van de zeemeermin’, gedeelte Het Burgerweeshuis te Zierikzee en de verzorging van de wezen, c. 1600-1795′ door drs. A.J. Meijer.